Afghaanse evacués vertellen hun verhaal

Burgemeester Koos Janssen ging in gesprek met 3 evacués uit Afghanistan. In de noodopvang op het Walaardt Sacré Kamp in Huis ter Heide luisterde hij naar de indrukwekkende verhalen van Emir*, Arzou* en Noor*.

“Het valt me op dat hier evenveel vrouwen als mannen aan tafel zitten”, valt Emir meteen met de deur in huis. “In Afghanistan zou dat tegenwoordig echt niet kunnen.” Emir werkte als tolk voor de Nederlandse Sonja, die een paar jaar geleden voor de VN-missie in Afghanistan dienst deed. Tijdens onze ontmoeting zit ze naast hem. 21 uur lang coachte zij Emir met zijn gezin op afstand, vanuit New York waar ze op dat moment verbleef, om het evacuatievliegtuig te bereiken. Met succes. Van de ambassade had hij de dag ervoor een mail ontvangen: ‘je moet nú naar het vliegveld in Kabul komen’. Het was een helse ervaring. 

In de noodopvang op het Walaardt Sacré Kamp luistert de burgemeester naar de indrukwekkende verhalen van Emir, Arzou en Noor. Arzou is docent van beroep. Haar man werkte als vertaler voor het Nederlandse Ministerie van Defensie. Ze laat op haar telefoon de filmpjes zien van de smerige omstandigheden en de chaos op het vliegveld.

muur met briefjes
Welkomstbriefjes voor de evacués

Oranje voorwerp als herkenning

Emir vertelt: “Het was bloedheet, we hadden geen water en geen eten. De kinderen huilden dat ze terug naar huis wilden. Maar Sonja bleef via WhatsApp op ons inpraten. We hadden het advies gekregen om een oranje voorwerp, de Hollandse kleur, mee te nemen. Via via wist Sonja de militairen te bereiken die bij de poort op het vliegveld stonden. Ze stuurde hen een foto van mij en ik werd herkend in de menigte. Mensen hielpen onze zeven kinderen over de hoofden van anderen heen, richting de veilige armen van de militairen.” Het is een wonder dat hij, net als Arzou, met zijn volledige gezin, Nederland heeft bereikt. 

“Ik ben een méns”

Dat is anders voor de 21-jarige Noor. “Ik ben activist en ‘public speaker’. Ik kom op voor de rechten van Afghaanse vrouwen. Maar als vrouw was het te moeilijk en te gevaarlijk om mijn werk nog te doen in Afghanistan. Er zijn collega’s van mij vermoord door de Taliban. Ik ben blij dat ik nu safe ben. Maar mijn ouders en broers zijn nog daar. Mijn moeder is arts, mijn vader ingenieur en mijn broer werkt voor een Europese organisatie. Ik maak me veel zorgen om ze, vooral ’s nachts als ik alleen ben en veel nadenk.”

Emir snapt haar zorgen als geen ander: “Thuis kreeg ik bedreigingen van de Taliban. Ze beschuldigden me onder meer van spionage. We moesten continu van locatie veranderen om uit handen van de Taliban te blijven.” Noor: “Als je in Afghanistan méér wil als vrouw, zoals studeren en werken, ben je je leven niet zeker. Die cultuur accepteer ik niet. Ik wil niet thuis zitten, maar mezelf juist graag verbeteren, meer leren. Ik ben een méns.”

Nederlandse alfabet

Noor had in Afghanistan veel plannen. Die heeft ze nog steeds. Elke dag. Ze staat vroeg op, eerst om te bidden. Vervolgens gaat ze hardlopen in de omgeving van de noodopvang. Na het ontbijt besteedt ze haar tijd aan de Nederlandse taal. Ze laat horen dat ze al diverse woorden en zinnen spreekt. De uitspraak is soms nog lastig. “Ik struikel steeds over het woord ‘ontmoeten’. Dus ik blijf oefenen, elke keer tijdens het hardlopen”, lacht ze. “Iedere avond maak ik een nieuw plan voor de volgende dag. En ik lees veel. Ik vind het superbelangrijk om de taal te leren. Dat is belangrijk voor mijn toekomst, ik wil hier graag studeren.”

Dat is ook de drive van Arzou. Ze heeft een zoon en drie dochters. “Ik was vooral bezorgd om de veiligheid en de toekomst van de meisjes. We proberen hen nu Nederlands te leren, we zijn al bezig met het alfabet en woordjes en kleine zinnen.” Voor de Afghaanse kinderen tussen 12 en 18 jaar is inmiddels onderwijs geregeld. Zij gaan naar een internationale schakelklas in Utrecht. Er wordt nog gewerkt aan het basisonderwijs voor de jongere kinderen. 

spelende kinderen
Op het Walaardt Sacré Kamp in Huis ter Heide

“Ik kies voor een positieve toekomst”

Emir, Arzou en Noor zijn ontzettend opgelucht dat ze veilig zijn. Noor: “De mensen van het COA werken superhard om ons te helpen bij wat we nodig hebben. Een dak boven ons hoofd, eten, kleding. Maar ook mentale ondersteuning. Elke dag praat ik mijn spanningen van me af.”

Ze hopen op een snelle procedure voor een verblijfsvergunning. Het gezelschap is het erover eens dat de rol van de regering hierbij cruciaal is. Er wordt nog gesproken over een speciale status voor de geëvacueerde mensen uit Afghanistan. Feitelijk zijn ze hier op uitnodiging van de Nederlandse staat. 

Alle drie zijn ze vol energie. Ondanks de zware omstandigheden in hun thuisland, de heftige ervaringen en zorgen zijn ze zeer gedreven om het goede leven weer te kunnen oppakken, zoals ze dat gewend waren. Noor: “Ik heb daarin een keuze. Dat is een groot goed. Ik kies mijn eigen weg. Ik kies voor een positieve toekomst.” 

*De namen Emir, Arzou en Noor zijn gefingeerd.

Meer informatie

Naar overzicht nieuwsberichten